In de 19de eeuw bleef het Huis van Oranje maar net overeind
© Floor Rieder

In de 19de eeuw bleef het Huis van Oranje maar net overeind

Boek (non-fictie): Oranje in revolutie & oorlog - Een Europese geschiedenis 1772-1890

Zo groot was het statusverlies van de Oranjes in de 19de eeuw dat het een wonder is dat ze het nog tot koninklijke familie hebben geschopt. Hoe dat zo kwam, schetst Jeroen Koch, gelauwerd biograaf van koning Willem I, in deze mooie Europese geschiedenis.

In de historiografie van de negentiende eeuw - die in Nederland tot voor kort overigens weinig belangstelling genoot - had de verheffing van prins Willem Frederik van Oranje Nassau tot koning Willem I der Nederlanden, in 1813, altijd iets vanzelfsprekends. Zijn vader, erfstadhouder Willem V, had in 1795 bij de nadering van de Franse legers het land moeten ontvluchten. Na het vertrek van de Franse bezetters keerde Willem Frederik als vaandeldrager van zijn familie - Willem V was in 1806 overleden - naar het vaderland terug. Alsof de Bataafse en de Franse tijd een stadhouderloos tijdperk hadden gevormd waarvan iedereen destijds vermoedde dat het ooit ten einde zou komen.

Jeroen Koch
Oranje in revolutie & oorlog – Een Europese geschiedenis 1772-1890
Boom; 499 pagina’s; 39,90 euro.

Niets was minder waar. Rondom de wisseling van de achttiende en negentiende eeuw gaf niemand nog een stuiver voor de dynastieke kansen van de Oranjes. Al helemaal niet als regerend vorstenhuis in de voormalige Republiek. Prinses Louise, de oudere zuster van Willem Frederik, rekende in 1797 niet op een terugkeer. 'We zullen allemaal nog eindigen met naar Amerika te gaan', schreef ze. 'En we zullen daar een ambacht uitoefenen of een betrekking zoeken.' Zij zelf zag een toekomst voor zich als gouvernante die meisjes uit nette families Frans zou leren.

In de jaren die verstreken tussen de vlucht van Willem V en de troonsbestijging van diens oudste zoon, hadden de Oranjes zich ook weinig voor het herstel van hun reputatie ingespannen. Van de laatste stadhouder heugde zijn vroegere landgenoten vooral dat hij slordig was en geen enkele belangstelling had voor staatszaken. Alleen het feit dat ook hijzelf zich voor zijn hoge ambt 'niet bekwaem' achtte - 'Ik ben een nul, ik heb niets te zeggen' - verschafte hem nog een zekere sympathie. In Londen beijverde Willem V zich niet zozeer voor het herstel van de Oranjes in hun oude positie, maar voor een schadeloosstelling van de familie voor de verloren gegane bezittingen.

Met dat oogmerk papte zijn oudste zoon, op nogal beschamende wijze, aan met Napoleon - de nieuwkomer die over het lot van oude dynastieën beschikte. Dat hij zijn zus Louise, na zijn derde ontmoeting met Napoleon, toevertrouwde 'geheel in de ban (te zijn) van de Eerste Consul', was nog tot daar aan toe. Napoleon maakte tenslotte op meer tijdgenoten een verpletterende indruk. Jaren later echter, sloeg hij zowel bij de Fransen als bij de Engelsen een modderfiguur met een onderdanige brief aan Napoleon waarin hij jammerde dat hij als heerser van het Duitse vorstendom Fulda door de koning van Pruisen in een anti-Franse coalitie was gerommeld. Of Napoleon hem dat vooral niet kwalijk wilde nemen. Als Napoleon bereid was hem in het bezit van Fulda te laten, zou hij voortaan een trouwe bondgenoot zijn. De keizer - de titel die de voormalige Eerste Consul zichzelf in 1804 had verleend - antwoordde daarop afgemeten: 'Uwe hoogheid zal het mij niet euvel duiden wanneer ik in Fulda een vorst wens die wél heer en meester is over zichzelf en die in staat is met mij in vrede te blijven leven.' Kort daarop was Willem Frederik verdreven uit Fulda, dat hem als compensatie voor genaaste bezittingen elders in Europa was toegewezen.

In zijn boek over de lotgevallen van de Oranjes in de negentiende eeuw schetst Jeroen Koch, gelauwerd biograaf van koning Willem I, een ontnuchterend beeld van hun statusverlies in Europa. Aanvankelijk telden ze nog mee te midden van de grote dynastieën, en was de latere koning Willem II nog een serieuze huwelijkskandidaat van de Britse prinses Charlotte (hij trouwde uiteindelijk met de Romanov-prinses Anna Paulowna), later moesten zij zich noodgedwongen liëren aan vorstenhuizen van de tweede en derde garnituur. Het was welbeschouwd een wonder dat de Oranjes konden terugkeren naar de gewesten waarover zij ooit het stadhouderlijk bewind hadden gevoerd. Als koninklijke familie nota bene. En als heersers over de noordelijke én de zuidelijke Nederlanden. De Oranjes hadden simpelweg het geluk dat hun dynastieke belangen na de val van Napoleon samenvielen met die van de geallieerde mogendheden.

Het was zo mogelijk een nog groter wonder dat de Oranjes zich hebben weten te handhaven. Want de eerste drie koningen leken slecht toegerust voor hun positie. Willem I was weliswaar een aanjager van de modernisering van zijn koninkrijk, en een ijverig bestuurder die tussen 1813 en 1840, het jaar van zijn abdicatie, 924 strekkende meters aan archiefstukken afscheidde. Maar hij miskende het groeiende ongenoegen onder zijn onderdanen - met name die in de zuidelijke Nederlanden - over zijn autoritaire bestuursstijl. De hardnekkigheid waarmee hij na de afscheiding van België, in 1830, vasthield aan de staatkundige eenheid van noord en zuid werd het koninkrijk zelfs bijna fataal. Tot de erkenning van de Belgische soevereiniteit, in 1839, hield hij een leger van 80 duizend manschappen op de been. De al aanzienlijke staatsschuld liep daardoor op tot 200 procent van het bbp.

Willem II, die als balling was opgegroeid, verheugde zich allerminst op de toekomst die bij de schepping van het Koninkrijk der Nederlanden voor hem opdoemde. 'Ik zag mijn lot voor altijd veranderen, gebonden aan een land en een positie die mij volstrekt onbekend waren en waarvoor ik niets anders dan afkeer voelde.' Het krediet dat hij in binnen- en buitenland had vergaard als bekwaam adjudant van Wellington, de overwinnaar van de Slag van Waterloo, verspeelde hij eindweegs met schimmige politieke en seksuele liaisons - waarmee hij zich chantabel maakte. Een burgerkoning wilde hij zijn, benaderbaar door zijn onderdanen. Maar hij ging gebukt onder de nalatenschap van zijn vader: een bijna ondraaglijke staatsschuld en een permanente constitutionele crisis, die in het voorlaatste jaar van zijn korte bewind (1840-1849) met de aanvaarding van de ministeriële verantwoordelijkheid tot een einde kwam. 'Het komt mij voor dat een galeislaaf gelukkiger moet zijn dan een koning', schreef hij aan het begin van zijn lijdensweg.

De liberale grondwet die Willem II naliet, was niet berekend op het woeste temperament van de troonopvolger - die aanvankelijk zelfs geen koning wilde zijn onder de condities die Thorbecke voor hem had geschapen. Koning Willem III schoffeerde zijn ministers, verzaakte zijn representatieve taken, en hij bracht de veiligheid van het land in gevaar met plannen voor de annexatie van Duits gebied die hij smeedde met de, door hem zeer bewonderde, Franse keizer Napoleon III. Hij probeerde regeringsdeelname van Thorbecke te verhinderen, hij zinspeelde op de mogelijkheid de uitslag van verkiezingen aan zijn persoonlijke voorkeur aan te passen, en hij weigerde de laatste drie jaar van zijn bewind de Troonrede voor te lezen. Willem III rammelde, kortom, aan de tralies van de constitutionele kooi die hem verhinderde koning te zijn. Pas in zijn late levensmiddag, toen hij - na een reeks affaires - trouwde met Emma van Waldeck en Pyrmont, verraste Willem III zijn omgeving met de aankondiging dat hij zijn 'verderfelijke verleden van drift en woede' wilde verruilen voor een toekomst vol 'vriendelijkheid en voorkomendheid jegens ieder'. Het eigenlijke herstelwerk aan de monarchie werd echter verricht door Emma, zijn tweede echtgenote.

Aan de hand van de wederwaardigheden van de Oranjes heeft Jeroen Koch de causaliteit der dingen laten zien in een tijd die ons zo vreemd geworden is. De doem van de koningsmoord, de onthoofding van de Franse koning Lodewijk XVI, die over de Europese vorstenhuizen lag. De voortdurende herschikking van allianties en grenzen in de Napoleontische tijd. De karakterverandering - van autocratisch naar burgerlijk - die de meeste monarchieën toentertijd ondergingen. En de  worsteling van koningen met hun leven, met dynastieke verplichtingen en met de nieuwe constitutionele spelregels. Koch rijgt het aaneen tot weergaloos drama - mooier dan je het zou kunnen verzinnen.